Verdamping en condensatie.
Verdamping is de overgang van water van vloeibaar naar gas; condensatie is de omgekeerde overgang. Beide processen drijven de waterkringloop, en samen verschuiven ze enorme hoeveelheden energie tussen aardoppervlak en atmosfeer.
- Verdamping
- Vloeibaar water โ waterdamp. Vraagt energie (latente warmte).
- Condensatie
- Waterdamp โ vloeibaar water. Maakt diezelfde energie weer vrij.
- Waar
- Verdamping vooral aan oppervlak van zeeรซn, meren, vochtige bodem en bladeren. Condensatie vooral in opstijgende lucht.
- Andere overgangen
- Sublimatie (vast โ gas), depositie (gas โ vast), smelten en stollen.
Wat er fysisch gebeurt
Een watermolecuul aan het oppervlak kan verdampen als het genoeg energie heeft om los te komen van zijn buren. Hoe warmer het water, hoe groter de fractie moleculen met die energie. Maar ook bij koud water gebeurt verdamping โ alleen langzamer.
Bij verdamping wordt energie aan de omgeving onttrokken. Daarom voelt nat haar koud aan: het water dat je huid verlaat, neemt warmte mee. Diezelfde energie heet latente warmte. Ze blijft "verstopt" in de waterdamp tot het ergens condenseert; dan komt ze weer vrij. Het is dezelfde energie die orkanen aandrijft.
Condensatie gebeurt als waterdamp afkoelt en de lucht verzadigd raakt. In opstijgende lucht โ boven warm aardoppervlak, langs een berghelling, of boven een front โ daalt de temperatuur, en condenseren waterdampmoleculen rond kleine deeltjes (stof, zout, roet) tot druppeltjes. Die druppeltjes vormen samen een wolk.
Transpiratie van planten
Planten verliezen water via huidmondjes in hun bladeren. Dat heet transpiratie. Voor de plant is het bijproduct van CO2-opname voor fotosynthese: huidmondjes die CO2 binnenlaten, laten ook waterdamp ontsnappen. Een volwassen boom kan honderden liters water per dag transpireren.
Transpiratie en oppervlakteverdamping samen heten evapotranspiratie. Boven bossen draagt transpiratie aanzienlijk bij aan de atmosferische waterdamp en daarmee aan neerslag stroomafwaarts. Ontbossing kan daardoor lokale neerslagpatronen veranderen.
Wolken en neerslag
Een wolk bestaat uit zeer kleine waterdruppeltjes of ijskristalletjes. Ze zijn zo licht dat opwaartse luchtbeweging hen makkelijk in de lucht houdt. Pas als druppels samenklonteren tot grotere โ door botsing, of via ijskristallen die water naar zich toe trekken โ worden ze zwaar genoeg om als regen of sneeuw te vallen.
Sublimatie en depositie spelen op hoge breedten en hoogten een rol. Sneeuw die niet smelt maar direct verdampt, of waterdamp die als rijp neerslaat op een koud oppervlak โ beide zijn directe overgangen tussen vast en gas.
De energiebalans
De zon verwarmt aardoppervlak en oceanen. Een aanzienlijk deel van die energie wordt niet als voelbare warmte aan de lucht doorgegeven, maar als latente warmte via verdamping. Hoog in de troposfeer geven condensatie en neerslag die warmte weer af. Op planeetniveau is dit een van de grootste energiestromen โ en daarmee een belangrijke stuurfactor van het klimaat.
Waterdamp is zelf een sterk broeikasgas. Bij opwarming kan de atmosfeer meer waterdamp bevatten, wat het broeikaseffect versterkt. Deze terugkoppeling speelt een hoofdrol in klimaatmodellen โ zie CO2 en klimaatverandering.
Verdamping en zeewater
Zeewater verdampt; opgeloste zouten blijven achter. Daardoor is regen zoet. Op grote schaal verklaart dit waarom zoutgehalte in zee verschilt: in zones met veel verdamping (subtropen) is het hoger; in zones met veel neerslag of rivieraanvoer lager. Die verschillen sturen oceaanstromen.
Plek in de waterkringloop
Verdamping en condensatie zijn de motor van de waterkringloop. Ze verplaatsen water tussen oceanen, atmosfeer en land, ze verdelen warmte over de planeet, en ze zijn de eerste stap in elke regenbui. De koppeling met andere kringlopen loopt onder andere via de koolstofkringloop (CO2-opname door huidmondjes), de oceaankringlopen (CO2-uitwisseling aan het oppervlak) en het aardrijkskundige watersysteem.